Werd Vincent van Gogh gedood?

krijttekening, 1890
In 2011 publiceerden Steven Naifeh en Gregory White Smith hun ca. 1000 pagina’s tellende biografie over Vincent van Gogh. In een appendix kwamen zij met een spectaculaire alternatieve lezing van de gebeurtenissen die leidden tot zijn dood op 29 juli 1890. Louis van Tilborgh en Teio Meedendorp reageerden op de theorie van de biografen in een tijdschriftartikel.[i] Sedertdien bestaan er twee elkaar uitsluitende opvattingen over het schot waardoor Van Gogh in zijn borst werd geraakt. Volgens de biografen was het niet Vincent maar iemand anders die schoot. Van Tilborgh en Meedendorp betogen dat het wel degelijk Van Goghs bedoeling was om zichzelf om het leven te brengen. De theorie van Naifeh en Smith lijkt inmiddels door Hollywood te zijn omarmd, getuige de recente film over Van Gogh, At Eternity’s Gate.
Hieronder lees je twee verhalen. Het eerste volgt de theorie van Naifeh en Smith nagenoeg op de voet. Het tweede verhaal is een zo goed als feitelijke weergave van gebeurtenissen en ontwikkelingen in de laatste maand van Vincents leven, zoals Van Tilborgh en Meedendorp die beschreven in hun tijdschriftartikel. Net als zij heb ik hier de correspondentie tussen Vincent en zijn broer Theo als uitgangspunt genomen.
Verhaal 1
Een fatale ruzie
Na het middagmaal van 27 juli 1890 verlaat Vincent van Gogh de herberg in Auvers sur Oise, waar hij twee kamers heeft gehuurd. Zijn schildersuitrusting gaat mee op zijn rug. Ezel, linnen, verf en kwasten. Hij loopt in de richting van Chaponval, een gehucht op zo’n 5 km. van Auvers. Ergens halverwege, in een bocht van het riviertje de Oise, is een café . Nou ja, café, het is eigenlijk een stropersbar. Dat wil zeggen: er zijn een paar touwen gespannen op een vlonder en daar staan wat tafeltjes en stoelen op en er wordt zelfgestookte likeur geschonken. Vincent komt daar vaak en dan krijgt hij regelmatig gezelschap van René en Gaston Secretan. Zij zijn de zoons van een rijke apotheker uit Parijs met een zomervilla in Auvers sur Oise. René is 16 als hij Van Gogh leert kennen, Gaston 18. Met de oudere broer kan Vincent onder het genot van een likeurtje lang en geanimeerd praten, want Gaston interesseert zich voor kunst. René e niet. Die houdt zich bezig met jagen en vissen, cowboyfantasieen, hoertjes en rondjes geven met het geld van zijn vader. En met het treiteren van Vincent. Samen met zijn kornuiten doet hij zout in diens koffie of een ringslag in zijn schilderskoffer. Dat soort geintjes.
Als zijn vriendjes er niet zijn dan gaat hij maar uit arren moede bij zijn broer en die rare vent uit Holland zitten. Dan verveelt hij zich kapot met dat gezever over kunst. Wel betaalt hij de meeste rondjes, waarschijnlijk omdat hij zich in de minderheid voelt bij de twee ouderen die geanimeerd met elkaar in gesprek zijn. Vincent heeft weinig te besteden dus hij laat het zich aanleunen. René identificeert zich bovenmate met cowboys en op een gegeven moment zien we hem in een cowboypak lopen met zo’n rodeohoed, dwars op het hoofd met een rand opgeslagen en een koord onder de kin. Ook loopt hij demonstratief met een revolver te zwaaien. Een echte. Hij schiet ermee op vogels en vissen. Voor de lol.
Een van de voornaamste bezigheden van René is het organiseren van feestjes met meisjes van lichte zeden, cantinieres, die hij uit Parijs laat komen, want in Auvers zijn geen prostituees. Aan de rivieroever, tussen bosschages, een beetje verdekt, maken hij en zijn vrienden pret met de meisjes. Herhaaldelijk nodigt hij Vincent daarbij uit. Niet om Vincent een plezier te doen natuurlijk maar integendeel om hem te pesten. Hij had namelijk gemerkt dat Vincent steels en verscholen naar de jongedames had gekeken maar de Hollander was nooit op hun avances in gegaan. Zou hij behalve zijn oor ook nog iets anders hebben afgesneden? Vroeg hij aan zijn vrienden. René en consorte waren erachter gekomen dat dit niet het geval was, want Rene had Vincent een keer in het bos betrapt op masturberen en toen ze op een dag zijn tas hadden leeggehaald hadden ze daar erotische plaatjes in gevonden. Zo waren ze op de bijnaam ‘de trouwe minnaar van Weduwe Pols’ gekomen. Vincent ontsteekt regelmatig in woede als hij hiermee wordt gepest en dat is precies de bedoeling.
Vincent is dus op weg gegaan op die 27e juli 1890 en nadat hij een kwartiertje heeft gelopen komt hij Ren é tegen met een vriendje . Zij komen net terug van de stropersbar en zijn aangeschoten.
‘ Hé daar hebben we de trouwe minnaar van Weduwe Pols. Ik krijg nog geld van jou joh…van al die rondjes’. Hij verzint dit ter plekke, in het besef dat hij Vincent hier keihard mee treft. Vincent voelt hoe giftig dit is. Hij raakt buiten zichzelf van woede en gaat René te lijf. Er ontstaat een handgemeen en daarbij valt een schot. Vincent zakt in elkaar. De jongens maken dat ze wegkomen nadat ze de schildersspullen van Vincent in de Oise hebben gegooid.
Een paar uur later loopt Vincent zwaar gewond naar de herberg terug, nadat hij is bijgekomen uit een bewusteloosheid. Met zijn hand op de maagstreek wankelt hij naar het biljart. Zijn jas had heeft hij om zijn middel geknoopt, zo is de wond niet te zien. De herbergier gaat naar Vincent toe en ziet wat er aan de hand is. Het eerste wat Vincent zegt is: ‘Geef niemand de schuld. Ik wilde mezelf doden.’
Kennelijk wil hij voorkomen dat René wordt verdacht, in een opwelling van vergevingsgezindheid en behoefte aan martelaarschap die we zo goed van hem kennen. Ravoux laat onmiddellijk een arts komen, dr Mazery . Hij en een andere arts, dr. Gachet, constateren dat de kogel vanuit een ‘ongewone, want schuine hoek (niet recht van voren) het lichaam is binnengedrongen’. Niet van dichtbij.
De afwezigheid van vieze zwarte roet op huid of kleding bevestigt dat het schot van een afstandje moet zijn afgevuurd. Immers, in 1890 waren wapens met ‘schoon’ kruit nog niet in zwang.
Drie dagen later sterft Van Gogh in
de armen van zijn broer Theo. De gebroeders Secretan komen niet op de
begrafenis. Zij hebben meteen na het schietincident Auvers sur Oise verlaten.

Verhaal 2
Niets vormde een grotere bedreiging voor zijn stabiliteit –zijn geestelijke gezondheid- dan Theo’s terugtrekking. Naifeh/White Smith , Vincent van Gogh, De biografie, p.958
Bodemloze wanhoop
Als we ons willen inleven in Vincents gevoelens gedurende zijn laatste weken, is het nodig om te beseffen dat hij vervuld was van een intens verlangen naar een broederband. In religieuze- en in letterllijke zin. Lang voordat hij besloot tekenaar/schilder te worden werd hij al bezield door dit ideaal van verbondenheid met andere mensen, een verbondenheid waarvoor hij veel, zo niet alles wilde opofferen.
Zijn besluit om schilder/tekenaar te worden bracht daar geen verandering in. Hij had nu echter een medium waarin hij zin ideaal hoopte te verwezenlijken, samen met andere kunstenaars. Want een broeder-en zustergemeenschap vormen kun je nu eenmaal niet alleen. Hij ondernam een serieuze pogingen om een kunstenaarsgemeenschap van de grond te krijgen in Arles, waar hij alvast 12 stoelen had aangeschaft. 10 daarvan bleven er leeg, de 11e werd voor korte duur bezeten door Gauguin.
Vincents streven mondde uit in een catastrofe. Eenzaamheid en waanzin waren zijn deel i.p.v. een ideale gemeenschap.
Toch was de broederband ook al heel lang een realiteit voor hem. Die had hij immers met zijn broer Theo. Behalve broer was Theo ook zijn broeder en medestrijder voor het ideaal van de broederschap door kunst. Althans, zo beleefde Vincent dat in ieder geval.
Theo kon er tot op zekere hoogte in meegaan.Hij onderhield Vincent, ondanks de te verwaarlozen opbrengsten van de schilderijen, die hij opsloeg in zijn huis.
De broers schreven honderden brieven naar elkaar, Vincent kon alles wat hem bewoog kwijt bij Theo. Voor Vincent ging de band met zijn broer zo ver dat zijn kunstenaarschap zonder die band geen zin had. Zo schreef hij in een brief van april 1889:
‘Als ik jouw vriendschap niet had, zouden ze me zonder wroeging de weg van de zelfmoord op sturen. ‘en hoe laf ik ook ben, uiteindelijk zou het met mij die kant opgaan.’
In de zomer van 1890 verbleef Vincent in Auvers sur Oise, een stadje niet ver van Parijs. Hij was daar op aanraden van Theo heen gegaan voor ene Dr. Gachet, die hem volgens Theo verder zou kunnen helpen om weer in evenwicht te komen na zijn aanvallen van krankzinnigheid.
Op 1 juli schreef Theo een voor zijn doen emotionele brief over zijn problemen aan Vincent. Dat waren er nogal wat. Een van de ergste: onzekerheid over de inkomsten voor zijn jonge gezin. Hij had om salarisverhoging gevraagd, geen reactie ontvangen van zijn werkgevers en hij overwoog nu om voor zichzelf te beginnen met alle risico’s van dien.
Vincent maakte hieruit op dat Theo al zijn geld nodig had voor zijn gezin en zijn te starten onderneming. Zijn broer zou hem niet meer kunnen onderhouden.
Deze bestaansonzekerheid kwam bovenop het gevoel dat hij mislukt was. Een week of vijf eerder al had hij aan Theo en zijn vrouw Jo geschreven:
‘Ik voel me – mislukt, dat is het wat mij betreft, ik voel dat dat het lot is dat ik aanvaard en dat niet meer zal veranderen.’
Theo had Vincent uitgenodigd om een weekeinde naar Parijs te komen en op 6 juli bracht hij een bezoek aan Theo, Jo en zijn neefje. De sfeer was zeer gespannen. Jo had grote twijfels bij de plannen van haar man om een zelfstandige onderneming te beginnen. Daar kwam nog bij dat haar zoontje ziek was en er stond een verhuizing voor de deur. Dan kwam dus ook nog haar zwager op bezoek, die bepaald niet makkelijk in de omgang was. Zo liet Vincent meteen bij binnenkomst weten dat hij het niet eens was met de plek waar zij een schilderij had opgehangen.
‘Waar bemoei je je mee’, had ze gevraagd.
Bovendien was het een komen en gaan van bekenden van Vincent. De criticus Aurier kwam naar zijn schilderijen kijken en collega Toulouse Lautrec kwam om hem te bezoeken.
De volgende dag kregen Theo en Jo ruzie in het bijzijn van Vincent.
Toen Vincent terugkeerde in Auvers was hij zo mogelijk nog ongelukkiger dan hij al was. Zijn gemoedstoestand was dermate over the top dat zijn handen trilden bij het schilderen.
Vincent kwam terug op de ruzie in een brief aan Theo, hij was van mening dat de hoog oplopende conflicten een zelfstandige onderneming onmogelijk zouden maken.
Theo’s reactie was geïrriteerd. Hij vond het allemaal erg meevallen en raadde Vincent aan toch vooral eens met dokter Gachet te gaan praten, nu hij het niet zo scherp meer zag. Misschien had de dokter wel een goed medicijn voor Vincent.
Vincent voelde zich uiteraard niet serieus genomen maar het ergst was hij geschokt door wat er niet in stond: de uitkomst van Theo’s gesprek over salarisverhoging met zijn werkgevers. V. wist dat dit gesprek al plaats moest hebben gevonden en hij werd erbuiten gehouden. Dat terwijl hij erop had aangedrongen dat ze alle belangrijke ontwikkelingen met elkaar zouden bespreken.
Op 15 juli ging Theo met zijn gezin naar Nederland en de trein kwam langs Auvers. Vincent had het gezin uitgenodigd om hem te bezoeken maar Theo was daar niet op ingegaan.
We zien aan de ene kant een Vincent die hunkert naar gemeenschappelijkheid, hij blijft tegen beter weten in verlangen naar de broederschap, ook al heeft die droom nu de vorm aangenomen van een gedeeld gezinsleven. Aan de andere kant zien we Theo die een terugtrekkende beweging maakt.
In een brief van 23 juli schreef V. hij dat hij zich eenzamer voelt dan ooit. Hij zou graag van alles met Theo willen delen maar schrijft dat dit zinloos is (want jij wil jouw belangrijke besluiten niet meer met mij delen, wordt de lezer geacht aan te vullen…)
Op deze brief reageerde Theo niet.
Na het middageten van 29 juli 1890 verliet Van Gogh de herberg waar hij logeerde. Hij nam zijn schilderuitrusting met zich mee op zijn rug. droeg. Hij nam ook een revolver mee, die hij had gestolen uit de tas van Rene Secretan.
In zijn zak stopte hij een andere brief van 23 juli. Die brief had hij niet af kunnen maken en hij had hem dus ook niet verzonden. In die brief toont hij begrip voor Theo’s situatie en schrijft hij dat hij zich humaan behandeld voelt door Theo, gevolgd door de retorische vraag: ‘Maar ja, wat kun je er nog aan doen…’
Hij ging naar de korenvelden achter het kasteel van Auvers. Daar ergens nam hij de revolver, richtte hem op zijn hart en schoot. De kogel raakte zijn hart niet maar ging daar onderdoor, waardoor hij het schot overleefde. Wel raakte hij buiten bewustzijn. Na een aantal uren kwam hij bij. Zwaar gewond strompelde hij terug naar de herberg.
’Ik heb mezelf verwond op de akkers. Ik heb mezelf daar neergeschoten met een revolver.’ ‘Geef niemand de schuld. Ik wilde mezelf doden,’ waren de eerste woorden die hij daar sprak. Geef niemand de schuld. Hij wilde kennelijk niet dat Theo zich schuldig zou gaan voelen. Hij kon weten dat die kans groot was, want in een brief aan zijn broer van een paar maanden eerder had hij nog geschreven dat de mensen om hem heen zichzelf als moordenaar konden beschouwen in het geval dat hij vrijwillig afscheid van het leven zou nemen.
Nadat de herbergier hem in bed had gelegd haalde hij snel een arts. Dr. Mazery en later ook zijn collega Dr. Gachet constateerden ‘een schotwond 3 tot 4 centimeter onder zijn linker tepel’. De bruine, bijna zwarte verkleuring rond de verwonding wees op ‘verbrand kruit’. Het schot moest dus van zeer dichtbij zijn afgevuurd op de ontblote borst.
In allerijl werd Theo verwittigd. Hij kwam de volgende dag met de grootste mogelijke spoed naar Auvers. De broers spraken elkaar langdurig. Op 29 juli, om half 1 ’s nachts waren Vincents laatste woorden: ‘Ik wilde dat ik zoo heen kon gaan’. Hij lag in de armen van zijn broer, die ook een broeder voor hem was.
