Die ene ster
Sinds 2011 maak ik deel uit van de vertellersgroep Shanachie. Onderstaand verhaal over Vincent van Goghs periode in de Borinage heb ik geprobeerd zo te schrijven dat het geschikt is om door een verhalenverteller verteld te worden. De aanleiding daartoe was de workshop van 14-10-2017 in Museum Boijmans. De verteller Marcel Pool bracht dit verhaal toen ten gehore.

Die ene ster
Het is half december 1878. Vincent van Gogh stapt in Brussel op de trein naar De Borinage, een van de armoedigste streken van Europa. Het is een mijnstreek met als bijnaam ‘het zwarte land’. Hoe treffend kan een bijnaam zijn want dat is precies wat hij zag toen hij de streek binnen kwam rijden: een zwart land. Zijn biografen schetsen de aanblik ervan zo:
‘Hier en daar rezen over een vlakke horizon enorme zwarte kegels op: abrupt, eenzaam, saai, te grimmig om het werk van de natuur te zijn, te groot om het werk van de mens te zijn. Op sommige ervan was gras gaan groeien, andere dampten nog steeds door niet te blussen binnenbranden, als grote kookpotten op het landschap. ‘Het hele gebied leek te zijn aangevreten door een enorme zweer (…).’
Er hing een dikke, permanente smog en de bewoners van de streek, de mijnwerkers en hun gezinnen, waren al net zo aangetast als het landschap. ‘Deze lieden,’ schreef van Gogh in een van zijn brieven, (26-12-1878) ’ zijn geheel zwart als zij uit de donkere mijnen weer in het daglicht komen, gelijk de schoorsteenvegers zien zij eruit.’
Van Gogh had een zeer nobele reden om naar het zwarte land te gaan, zo lezen we in zijn brieven. Hij, dienaar van de waarheid en navolger van Christus, wilde erheen om te helpen, om de barmhartige Samaritaan te zijn. Om te prediken ook. Een paar jaar voordien had hij besloten om in het voetspoor van zijn vader te treden en predikant te worden. Zijn streven in deze richting dreigde echter op een mislukking uit te lopen nadat was weggestuurd bij een predikanten-opleiding in Brussel. ‘Predikantenopleiding’ is eigenlijk een misleidend woord voor het schooltje met maar een lokaal, vijf studenten, een leraar, geen administratie en geen geld. Het was al de tweede keer dat Van Gogh een predikantenopleiding moest afbreken en nota bene bij een schooltje ‘van het allerlaagste niveau.’ (p.223). Het was de zoveelste mislukking in een eindeloze reeks. De 28 jarige Vincent was meerdere keren ontslagen door werkgevers en ook in de liefde was hij bepaald niet succesvol. Tot twee keer toe was hij zonder pardon afgewezen.
Hij voelde zich totaal mislukt en wanhopig kort voordat hij besloot om naar het zwarte land af te reizen. Hij had toen aan Theo geschreven: ‘Als ik aan dat alles denk [aan het falen A.K.] (…), aan teleurstelling, aan het gevaar van mislukking tot lijden tot schande toe, dan is ook mij het verlangen niet vreemd- ik zou wel van alles weg willen.’ Hij had, kortom, meer dan een reden om naar de Borinage te gaan.
Toen hij daar eenmaal was bleek al snel dat het niet echt wilde boteren tussen de Borins en de fanatieke Brabander met zijn priemende ogen. Bij zijn preken hield hij deze mensen voor om toch vooral te berusten in hun lot, een advies waar de meesten niet op zaten te wachten. Zij waren juist bezig om met stakingen een beter lot te bevechten. Ook in letterlijke zin verstonden de mijnwerkers en Van Gogh elkaar niet goed. De Borins spraken een sterk dialect van het Frans. Van Gogh meende kennelijk dat het spreken van je eigen dialect de bedoeling was en hij ging zelf het Parijse dialect spreken, dat hij nog kende uit zijn tijd bij de kunsthandel Goupil. (Daar kom ik zo meteen nog op terug.) Het spreekt voor zich dat de kloof tussen hem en de mijnwerkers alleen maar dieper werd. Hij liet zich echter niet van zijn voornemens afbrengen. Integendeel, hij deed er juist een schepje bovenop. Teneinde zijn al dan niet ingebeelde betrokkenheid bij het leed van de mijnwerkers meer kracht bij te zetten ging hij vrij kort na zijn aankomst zelf de mijn in, om precies te zijn de Macassarmijn, een van de grootste en diepste en gevaarlijkste. De beschrijving van wat hij daar meemaakte tart ieders voorstellingsvermogen. Zijn biografen:
‘(…)Niets had hem [Van Gogh] kunnen voorbereiden op de mijningang, een spelonkachtig gebouw voorzien van gore ramen en vol beweging: het sidderen van de grote koperen machine, het bewegen van de stalen armen, het onophoudelijke pompen; het gedonder van zware wagentjes die over de ijzeren vloer voortrolden; het gieren van inktzwarte kabels die in de hoogte bewogen. (…) Het gieren van de katrollen kondigde de aankomst en het vertrek aan van de kooien die uit de diepten verschenen met karretjes vol kolen en dan weer vol mijnwerkers omlaag doken (…). De kooi dook 635 meter ‘als een steen’ omlaag.’
In ijltempo verdween het licht van de mijningang boven zijn hoofd totdat er niets anders van over was dan een piepklein puntje. Ook dat puntje verdween uit het zicht toen hij zich in smalle, lage tunneltjes begaf, slechts verlicht door de lampjes die de mijnwerkers met een band op hun voorhoofd hadden bevestigd.
Hij maakte enkele maanden later ook een mijnramp mee. Als een echte Florence Nightingale stond hij toen de gewonden bij. Hij trok zijn hemd aan reepjes om ze te verbinden. Hoe wij dit gedrag kunnen duiden is nu even niet aan de orde. Het punt is dat Van Gogh ook in het zwarte land mislukte. Het Borinage-avontuur eindigde in een totale catastrofe. Toen hij na een maand of negen een keer naar zijn ouderlijk huis in Nuenen ging was hij er zo slecht aan toe dat zijn vader hem wilde laten opnemen in een krankzinnigengesticht, wat een familieschande van de hoogste orde zou betekenen. Vincent was desolaat, aan verwarring en chaos ten prooi, sterk vermagerd en over de rand van de waanzin.
Wat ik nog niet heb verteld is dat Van Gogh al vanaf zijn kinderjaren tekeningetjes maakte. Wat ik ook nog niet vertelde is dat hij al een heel verleden had in de kunst, onder andere door zijn periode bij kunsthandel Goupil in Parijs en Londen, zoals ik daarnet al even aanstipte. Tijdens die jaren had hij een stevige aversie ontwikkeld tegen het snobisme, de dweperij en de gezapigheid die het kunstwereldje kenmerkten. Zijn grote voorbeelden, onder anderen de schilders Corot en Millet en de schrijver Michelet hadden niets gezapigs. hij bewonderde hen vooral om hun sociale idealen. ‘Sociale idealen’ klinkt een beetje socialistisch misschien maar zijn helden kwamen uit een andere, namelijk romantische hoek. Zij keerden zich tegen strikt rationalistische denkbeelden, zagen een poëtisch beleven als bron van cultuurproductie en stelden de kunstenaar in het centrum van de samenleving.
Van Gogh liet zich inspireren en leiden door zijn idolen. De kunst was alles voor en hij was typisch zo iemand met een sterk poëtische inborst. In een paar oude schoenen zag hij een geleefd leven, in boeren zag hij eenvoud, eerlijkheid en ijver belichaamd. Ook van de Borins had hij romantische, symbolisch geladen, vertederende voorstellingen voordat hij naar de mijnstreek ging. Zo stond het lampje op hun voorhoofd voor het licht van de godsdienst, ‘om hem [de mijnwerker] de weg door de duisternis te wijzen’, schreef hij in een brief.
Ondanks zijn metaforische, passievolle beleving van de werkelijkheid en zijn enthousiasme voor de kunst ervaarde hij zichzelf niet als kunstenaar. Misschien twijfelde hij aan zijn talent en dan zal dat met reden zijn geweest, zoals we onder andere kunnen zien aan zijn vroege tekeningen.
Zoals ik zei: het debacle in de mijnstreek kon niet groter zijn en zijn wanhoop niet dieper. Maar ergens in hem was er een besluit gegroeid. Hij had besloten kunstenaar te worden. Tekenaar. (Schilder kwam later.) Door die beslissing viel hij eindelijk samen met zijn innerlijke realiteit, het kunstenaarschap dat hij al heel lang met zich meedroeg. Zijn besluit was in de zwarte nacht van zijn wanhoop het ene lichtpunt, de mijningang boven zijn hoofd toen hij zich in de diepste duisternis bevond. Zijn poolster ook, waarop hij zijn koers kon bepalen.
Zo’n tien jaar na zijn besluit liet hij bij zijn vroege overlijden een ontzagwekkend oeuvre na waar zo ongeveer iedere wereldburger wel iets van mee heeft gekregen. Het zou er niet zijn geweest zonder zijn vastberadenheid, zijn trouw aan zichzelf en de tomeloze ijver en daadkracht die hem kenmerkten. Want hij heeft zijn kunstenaarschap moeten bevechten. Hij compenseerde zijn bescheiden talent met volledige toewijding, passie en opofferingsgezindheid. Niet lang nadat hij zijn besluit had genomen schreef hij aan Theo:
‘Mijn plan is niet mij te sparen, geen emoties of moeie[lijkheden] veel te ontzien.– ’t is me betrekkelijk onverschillig of ik langer dan korter leef – ik ben bovendien niet competent mij zelf in ’t physieke zóó te leiden als b.v. een medicus het betrekkelijk kan. Ik ga dus door als een onwetende maar die dit èène weet – “in eenige jaren moet ik een zeker werk afdoen” – ik hoef mij niet te overhaasten want daar is geen heil in – maar in alle kalmte en sereniteit moet ik doorwerken, zoo geregeld en geconcentreerd mogelijk – zoo kort en bondig mogelijk. De wereld gaat mij slechts in zoo ver aan dat ik als ’t ware een zekere schuld en pligt heb omdat ik 30 jaar op die wereld heb rondgemarcheerd – uit dankbaarheid een zeker souvenir te laten in den vorm van teeken- of schilderwerk.– niet gemaakt om deze of gene rigting te behagen maar waarin men een opregt menschelijk gevoel uit. Dit werk is dus het doel – en in die gedachte zich concentreerende vereenvoudigt zich hetgeen men doet en laat in zóó ver dat het niet is een chaos, maar al wat men doet één zelfde streven is. Nu gaat het werk langzaam – reden te meer men geen tijd verliezen moet.’
‘Kunst is beheerste waanzin’ schreef Novalis. Met de nadruk op beheerste zou ik willen aanvullen. Want voor Van Gogh was zijn kunst zijn genezing, zoals hij zelf herhaaldelijk te kennen heeft gegeven.
