De staalmeesters

De staalmeesters, 1662
De staalmeesters zijn met een bespreking bezig en we zien hier het moment waarop iemand uit het publiek een vraag stelt of heeft gesteld. Dat dacht men althans. Het was de heersende opvatting totdat hij overtuigend werd weerlegd. Dat gebeurde pas laat in de vorige eeuw door de kunsthistoricus Van de Waal. Hij bewees dat de bijeenkomsten van de waardijns of staalmeesters in de benedenkamer van de Staalhof in de Staalstraat zonder publiek werden gehouden. Maar door te kijken naar de vijf zittende waardijns en hun staande bediende, de man zonder hoed, neemt de kijker deel aan de gebeurtenis die zich voor zijn ogen afspeelt. Hij is zelf die veronderstelde vragensteller uit het publiek, waar de aandacht en de opmerkzaamheid van de staalmeesters naar uitgaan.
Hadden de bedenkers van de oude interpretatie zich niet voldoende rekenschap gegeven van de door schilders nagestreefde optimale betrokkenheid van de beschouwer bij het werk? Deze probeerden zij onder andere te realiseren door een gebeurtenis af te beelden op het moment van het hoogtepunt van de dramatische handeling. Kijken we bijvoorbeeld naar De anatomische les (zie p.), van dertig jaar eerder, dan zien we dit hoogtepunt uitgedrukt in de emoties en de houdingen van de personages. Daarvan mogen wij getuige zijn, zoals bij een toneelstuk. Bij De staalmeesters sloot Rembrandt waarschijnlijk aan bij het eerdere groepsportret en ging hij een stap verder: de beschouwer is geen getuige meer maar deelnemer aan het dramatische moment. De gebeurtenis die hij voor zich ziet is ook zijn gebeurtenis. De ruimte van de geschilderde voorstelling valt samen met zijn ruimte. Hij is het die de aandacht van de waardijns krijgt. De momentbeleving, steevast genoemd als belangrijkste effect van dit werk, hield Rembrandt al vroeg bezig. (Zie Landschap met stenen brug, p. ) Hier lijkt zijn manier om die beleving op te roepen tot volle rijpheid te zijn gekomen. Door de beschouwer tot deelnemer aan de getoonde handeling te maken, bewerkstelligt de schilder een zo goed als volmaakte werkelijkheidsillusie, het ideaal van de oude schilderkunst.
Hoe komt dit effect op de kijker tot stand? De blik van de waardijn met het boek aan de korte zijde van de tafel is niet gericht op die kijker maar op een punt links naast hem. Hij heeft echter geen duidelijke focus. De uitdrukking van zijn ogen vloeit voort uit wat hij aan het doen is: hij gaat spreken ofwel hij heeft net gesproken. Zijn spreekgebaar laat dat zien. Zijn onderwerp moet hij uit het voor hem liggende boek hebben. Dat toont zijn hand: het spreekgebaar is tegelijk een wijzend gebaar. Over de blikrichtingen van de overige personages zijn de meningen verdeeld. De een kijkt ons recht in de ogen, de ander, het personage uiterst rechts, kijk naar een punt vlak naast en achter ons. In ieder geval is de algemene beleving dat de waardijns zich van onze aanwezigheid bewust zijn. Nu is hun aandacht niet verdeeld over enerzijds wat zij horen en anderzijds wat zij zien. Het gespreksonderwerp is daardoor ook niet iets anders dan datgene waarnaar zij kijken. Het duidelijkst is dat bij de staalmeester rechts naast de spreker. Hij houdt met een hand een bladzijde vast, zijn blik is op de kijker gericht. Met andere woorden: het onderwerp van hun bespreking is hetzelfde als datgene wat zij buiten de ruimte van de geschilderde voorstelling zien. Zo kunnen de waardijns met hun bediende bij de kijker het gevoel oproepen: ze hebben het over mij. Maar deze ervaring blijkt bij nader inzien nog niet volledig recht te doen aan het beeld. Hij laat de waardijns die hem niet aankijken daarbij buiten beschouwing. De vraag waar zij hun blik op richten blijft onbeantwoord. Een vollediger beschrijving van de kijkervaring zou dus zijn: het zou kunnen dat ze het over mij hebben maar ik kan dat niet met zekerheid zeggen. De eerdere, spontane reactie (ze hebben het over mij) wordt daardoor niet minder waar; beide blijven mogelijk. De eerste bewerkstelligt een bewustwording van mijzelf, de tweede van iets of iemand buiten mij. Wie of wat dat is, blijft in het ongewisse.
De uitdrukkingen van ieder lid van de groep, hun manier van aanwezig zijn, de présence, zouden we kunnen benoemen met woorden als, ‘ernstig’, ‘waakzaam’, ‘oplettend’, maar ook als ‘welwillend’, ‘geïnteresseerd’. Dat is een innerlijke houding die hen goed van pas kwam bij de uitoefening van hun taak. Zij waren er namelijkverantwoordelijk voor dat de kwaliteit van het door de gildeleden geproduceerde laken constant bleef. Hun functie was een onbetaalde erebaan met groot gewicht. De lakenindustrie speelde een rol van betekenis voor de Amsterdamse economie. De manier van kijken van de waardijns, geëigend voor hun functie, lijkt zich te hebben uitgebreid over hun hele wezen.
Zowel de wakkerheid als de welwillendheid vinden we terug in de idealen van het gilde. Rechts achter de rechterfiguur zien we in de lambrisering een vuurtoren, het gildesymbool dat deze idealen belichaamde.
