Een eindeloze rij van kunstenaars, kunsthistorici en vele anderen heeft geprobeerd om onder woorden te brengen wat zij ervaren bij het kijken naar de werken van Rembrandt. Hieronder vind je een selectie van citaten.  Ze staan op chronologische volgorde en zijn gegroepeerd per schrijver. De naam van de auteur en het boek staan erboven, het paginanummer ervoor. Bij de citaten die niet uit een boek komen, staat de bronvermelding helemaal onderaan deze pagina’s. Zoals je zult zien zijn lang niet alle citaten vertaald, wegens tijdgebrek.

Deze selectie bestaat tot dusverre slechts uit een klein aantal en ik heb heb hem samengesteld op basis van mijn persoonlijke voorkeuren. Het is de bedoeling dat het aantal in de toekomst zal groeien, waarbij de voorkeur en de keuze van anderen zal bijdragen aan de totstandkoming van een breder en dieper panorama. Ken je een citaat over (een werk van) Rembrandt dat je erbij zou willen plaatsen? Neem dan contact op.

2015 © Arno Kaat

 

Citaten

Wilhelm Bode,  Rembrandt und seine Zeitgenossen,  2e. Auflage, Leipzig 1907

Rembrandt streeft niet meer alleen naar boven, hij verliest zich niet in het oneindige en zoekt de hoogste doelen niet buiten de mens. Hij heeft kennis van het goddelijke in de mens zelf; hij vindt vrede en rust in het eigen hart.

Oorspr.:
p. 5: [Rembrandt] strebt nicht mehr nur nach oben, verliert sich nicht ins Unendliche, sucht die Höchsten Zielen nicht ausserhalb des Menschen, sondern er erkennt das Göttliche im Menschen selbst, findet Frieden und Beruhigung im eigenen Herzen.

p.5: (…) Die stille Befriedigung in der Arbeit, im leben für die Mitmenschen, die Mystik der Liebe, die in der Zuversicht auf die Vorsehung auch in der bescheidenen Hutte Einzug hält, selbst aus den Hässlichsten Köpffen, aus den tief gefurchten Züge des Alters beseligend zu uns spricht.

p.6: Bei ihm [ist] alles Leben, alles Empfindung.

p.6: Rembrandt bedeutet einen Höhepunkt in der Entwickelung aller Kunst.

p.6: De oplossingen die hij vond voor de hoogste opgaven van de kunst zijn nieuw en diepzinniger dan die de kunst voor zowel als na hem heeft gevonden.

P7: So liegt Rembrandts Grösse gerade darin, das er (…) seinen Darstellungen den allgemeinen menschlichen Charakter aufprägt und sie mit einen Schein umgibt, der sie wie aus einen Höheren Welt erscheinen lässt.

p.8: Rembrandt is de enige geweest die de Bijbel im de geest van de Bijbel schilderkunstig tot uitdrukking heeft gebracht.

p.8: Der Geist der Liebe und Barmherzigkeit spricht aus allen seinen Schilderungen mit so überzeugender Lebendigkeit, und so ergreifender Innigkeit, dass alle anderen malerischen  Darstellungen biblischer Motive daneben verblassen und kalt erscheinen.

p.10:  Auch zeigen einzelne seiner Darstellungen, wie die herrliche Radierung des Faust’, und weiter die Tatsache das er mit gelehrten Juden und Katholiken verkehrte, das er sich durch Dogmen nicht unübersteigliche Schranken setzen liess, sondern über die letzten Dinge, über Reiligion und Philosophie selbständig zu denken liebe.

p.10: In seinen Schöpfungen ist Rembrandt ein Apostel des Christentums wie kein zweiter Künstler. Er hat den biblischen Darstellulngen keineswegs den Reiz des Mystischen genommen, er verleiht ihnen durch eine seltsame Lichtführung einen überirdischen Schein, der recht eigentlich die Kraft und der Zauber seiner Kunst ist; (…)’.

p.11: Nicht nur, was überirdisch ist, auch alle anderen Motive  sah der Künstler mt seinem ‘doppelten’ Gesicht, mit scharfem Wirklichkeitssinn, aber verklärt durch ein eigentümliches Licht.’

p.12: Er zeigt uns seine  Leute, wie sie, durch einen hellen Lichtstrahl plötzlich beleuchtet, aus dem Dunkel heraustreten und vom Glanz des Lichtes umflossen sind. (…)  vor allem die Seele des Menschen will er uns schildern(…).

p.14: Rembrandt hat denselben Gegenstand oft ein dutzendmahl und mehr in Gemälden, Radierungen und Zeichnungen wiederholt, aber fast ebenso oft gestaltet er ihn zu einem völlig neuen Bilde.

p.15: Schon in den frühesten Jugendwerken [???] ist es das Licht, ist es sein eigentümliches Helldunkel, das ihm als vornehmstes Ausdrucksmittel seiner Ideen dient, wenn er es auch mit den Jahren wesentlich erweitert und feiner und Wirkungsvoller ausbildet.

p.15: Man hat Rembrandt einen Zauberer genannt; er ist ein Zauberer in dem Sinne, das er den Phantastische Gebilde seiner Gedankenwelt künstlerischen Ausdruck zu geben weiss, an den wir glauben müssen, der uns hinreisst und begeistert; ein Zauberer auch insofern, als er durch magische Mittel unsere Sinne berauscht, uns seine Bilder wie mit einer Laterna Magica vorzaubert.

p.16: Ist Rembrandt in seinen Modellen, in seinen Vorwürfen ein Realist wie kein anderer, so ist er in seinen Mitteln, vor allem in seiner Beleuchtung, der grösste Idealist.

p.16: Man pflegt sein Licht ein überirdisches zu nennen; nicht ganz mit Unrecht, denn auch hässliche Gestalten, gewöhnlichen Motive, weiss der Küstler durch sein helldunkel in eine höhere Sphäre zu heben, zu ergreifende Kunstwerken zu gestalten. Durch diese Mittel ist er der modernste aller neueren Künstler geworden, indem er die Schönheit des Geistes an die Stelle der antiken Formenschönheit gesetzt hat. Sein Licht ist alles andere als naturalistisch; es ist weder Sonnenlicht noch Kerzenlicht (einig specifiek) es ist Rembrandts eigenes Licht.

p.16:  Sein Helldunkel kann man (…) als die “Kunst die Atmosphere sichtbar zu machen” bezeichnen.

p.17: Sein Licht ist ein Innenlicht (…).

p.18: Das warme volle Licht, das die Hauptgruppe oder, bei einer Einzelfigur, den Kopf beleuchtet und hell aus dem umgebenden Halbdunkel hervorhebt erscheint wie die letzten Strahlen der Abendsonne, die durch eine kleine Öffnung in einen geschlossenen Raum fallen.

p.19: Das Helldunkel ist so massgebend bei Rembrandt,  das Komposition und Zeichnung wie Färbung und Behandlung davon abhängen (…).

p.19: Der Künstler weiss der Beschauer sofort mitten in seine Handlung einzuführen und voll dafür zu erwärmen.

p. 19: Alles ist am rechten Platze, alles hat Beziehung zum Zentrum der Darstellung, selbst anscheinende Nebendinge.

p.21: Die Art, wie der Künstler seine Figuren durch einen grellen Lichtstrahl aus dem Dunkel auftauchen lässt, gibt ihnen einen Lebendigkeit, dass sie unter uns zu sein scheinen.

p.23: (…) De verschillende kleurbehandelingen, al naar gelang het onderwerp, vormen wederom een bewijs van een geweldig kunstzinnig voelen en kunnen van de kunstenaar. Daarmee liet hij ieder object tot recht komen op een specifiek bij dat ene object passende manier. Hij zochter ernaar om elk afzonderlijk werk op een nieuwe manier vorm te geven.

p.23: Seine Malweise ist so mannigfaltig wie seine Farbengebung und Beleuchtung und seine künstlerischen Intention überhaupt; sie ist von ihnen abhängig und geht mit ihnen Hand in Hand, ist sie doch nur der getreue und geschickte Ausdruck seiner Empfindung.

p.23: Rembrandts Gemälde beweisen uns, (…) welche Bedeutung in der Malerei die Schönheit des Materials und die Kenntnis seiner Bereitung und Behandlung haben. (Alch.)

p.24: (…) Weil er so verschieden empfindet und verschieden sieht wie andere Künstler, malt er auch anders und findet Ausdrucksmittel, die ebenso eigen sind wie seine Auffassung von Licht und Farbe.

p.25: Bei der Übertragung des Gesehenen auf die Fläche sucht Rembrandt nicht die Formen der Dinge nachzubilden sondern ihe Wirkung auf das Auge unter dem Einfluss von hell und dunkel.

p.28: Man muss Rembrandt im Ganzen betrachten, nur dann ist er verständlich, erscheint er unübertroffen.

p.28: Ohne das Schwerverständliche, Rätselhafte ist seine Persönlichkeit nicht zu denken; der Reiz zu neuem Studium und der ewig wachsende Genuss seiner Werke liegt darin mit beschlossen.

E.R. Meyer, Rembrandt’s schilderijen in het Rijksmuseum, Serie: Facetten der verzameling no.1,  Amsterdam, 1955

p.II: In de uitbeelding van licht en donker vindt Rembrandt zijn grote kracht. Met het licht roept hij de aandacht wakker voor de uiterlijke glans der dingen en laat hij de verrukkelijkste kleuren opbloeien, met wat in duisternis is gehuld beroert hij de ondoorgrondelijke diepten, die intuïtie alleen kan openbaren. Zo verheft hij het feitelijke en tijdelijke tot het tijdeloze an algemene.

p.II: Langzamerhand zal hij steeds meer de rust en bezonkenheid gaan zoeken, de eenheid van vorm, (…). Hij dwingt de kracht der beweging tot de rust der beheersing en zoekt expressie in de verborgen spanningen van de geest.

p. III: Alles en allen doorschouwt hij met dezelfde liefde, maar ook met dezelfde feilloze speurzin. Het Joodse Bruidje, dat hij enkele jaren voor zijn dood schilderde, is daarom bijna symbolisch te noemen voor Rembrandt’s houding ten opzichte van de hem omringende wereld. In het liefdevolle gebaar van beide mensen, die hun tederste gevoelens op aangrijpende wijze tot uitdrukking brengen, ligt als het ware de ziel van de schilder besloten, die de diepere zin der werkelijkheid zichtbaar wilde maken, door haar gehuld in een gloed van kleuren, te verheffen boven het alledaagse tot een hoogte, die anderen slechts in het aanschouwen van zijn werken nogmaals kunnen benaderen.

Vrije opvoedkunst, juli 1956, themanummer Rembrandt van Rijn, herdenking of verwachting?
Kijk eens in het digitale archief  van dit tijdschrift.

W.F. Veltman, Rembrandt van Rijn, herdenking of verwachting?

p.2: Ik zou Rembrandt niet willen herdenken,  want Rembrandt leeft.

p.2: Voor wie eenmaal geroerd is door de lijnen van een simpele pentekening, voor hem is Rembrandts kunst, is Rembrandts menselijkheid een onophoudelijke bron (…).

p.2: Er is over Rembrandt al zo ontzaglijk veel geschreven, goed en waar geschreven. Zou het dan mogelijk zijn iets over hem en zijn werk te zeggen wat nieuw was, wat niet één of twintig maal reeds, beter is gezegd? Misschien niet, maar het kan zijn dat bepaalde dingen, in een nieuw licht geplaatst, een nieuwe betekenis krijgen (…).

p.3: Nergens glansde het ware goud van de Gouden Eeuw inniger en machtiger dan in Rembrandts latere scheppingen.

p.3: Bij Rembrandt is het wezenlijke niet wat uit het verleden tot volmaakte vormgeving is gekomen (zoals bij Rafael), maar wat van hem uitstroomt naar de toekomst toe.

p.5: Bij Rembrandt springt de macht van de vrije, scheppende persoonlijkheid duidelijk in het oog, in zoverre was hij dus een kind van zijn tijd maar zijn deemoed en zijn liefde voor de mens waren machtiger dan de drang zich boven anderen te verheffen.

p.9: Het persoonlijk willen beleven van het Christendom, de aandacht voor de Evangelieën en het Oude Testament, het worstelen om een eigen uitdrukkingswijze, dit alles is bij Rembrandt als geconcentreerd in een brandpunt aanwezig.

p.13: Waarom kan thans (1956) de menselijke ziel een wijsheidslicht ontvangen, verwant aan het zielelicht dat Rembrandt in zijn schilderingen wist  te scheppen? Omdat uit dezelfde cultuurstroom waarin hij als grote vertegenwoordiger in de 17e eeuw stond sedertdien nieuwe en steeds sterkere impulsen zijn voortgekomen.

Mr. M.L. Stibbe, Rembrandt in de twintigste eeuw,  p.16 e.v.

p.16: De diepste geheimen van het menselijk bestaan brengt Rembrandt tot uitdrukking in zijn schilderijen.

p.17: Ieder van de latere werken van Rembrandt is er om aan de wereld mededeling te doen van de macht der duisternis. (…). Maar sterker dan de duisternis is bij hem het licht. Dat licht, dat een verworvenheid is in de mensenwereld door de kracht van de geest.

p.18: Iedere opbouw van een contact met een ander mens is de vrucht van diepe overweging en van genadevolle inspiratie. Rembrandt wijst de weg naar die inspiratiebron.

p. 19: In vele van Rembrandts werken straalt reeds het (dit) licht van de engelwereld uit over de gebeurtenissen. Vaak neemt hij daarvoor zijn onderwerpen uit het Oude of Nieuwe Testament. Maar men zou zijn voorstellingen moeten verplaatsen uit het verleden naar het heden en de toekomst en als voor- of oerbeelden van de menselijke en van de mensheidsontwikkeling (moeten zien).

p.19: De werken van Rembrandt mogen wij (…) als een innerlijke hulp beschouwen, talloze van zijn latere werken zijn wegwijzingen, van mogelijkheden en ook maningen.

A. C. Henny, Rembrandt en het Nederlandse volk,  p. 21 e.v.

p.22: Niet passief beschouwend, maar actief, scheppend, moeten wij de verhouding tussen ons en de wereld beleven, willen wij Rembrandts beeldentaal tot ons laten spreken.

p.23: In al zijn werken leeft een verborgen kracht die onzichtbaar  is voor een passief toeschouwers-bewustzijn.

p.24: Hoe kunnen wij in de toekomst met Rembandt leven? Hoe kunnen zijn schilderijen, zijn etsen, zijn tekeningen, buiten de wereld van het museum een bron van kracht vormen, waardoor wij, geschoold in de dramatische contrastwerking van het licht en de duisternis in zijn werken, voortaan sterker, reeëler staan in de dramatiscne spanningen van onze eigen (twintigste) eeuw?

p.26: Hij wekt in ons waarnemingsvermogen een hogere kracht op waardoor wij – het klinkt als een paradox – het onzichtbare leren zien.

p.26: Voor zover wij (Nederlanders) als volk van individualisten, nog bereid zijn een leermeester te aanvaarden, kan Rembrandt (…) ons de weg wijzen.

p.26: Rembrandts wereld is nog steeds een verborgen kracht in ons (Nederlandse) volk die verbindend werkt over alle geestelijke, politieke en economische scheidslijnen (…).

 

Michael Bockemühl, Rembrandt 1606-1669, Het raadsel van de verschijning,  Kerkdriel 2005

p. 11: Aan Rembrandt komt geen einde.

p. 28: Gedurende zijn ontwikkeling heeft Rembrandt de meest uiteenlopende nuances van het gemeenschappelijk deelhebben aan het gesproken woord, met steeds andere accenten en steeds weer bewonderenswaardige scherpte van uitdrukking, uitgewerkt.

Gary Schwartz, De grote Rembrandt,  Zwolle 2006

Voorw.: Voor mij zijn Rembrandts  zelfportretten niet een bevestiging van een sterke persoonlijke identiteit maar veeleer een werktuig waarmee de kunstenaar, net als Paulus, poogt de ander te worden.

Voorw.: Misschien meer dan welke kunstenaar ook is Rembrandt alles voor allen geworden.

Voorw.: Ik ken geen kunstenaar uit welke tijd dan ook, die zo intens serieus zijn gelaatstrekken verleende aan zo’n enorme variatie van identiteiten.

<>Voorw.: Als Rembrandt, naar mijn vaste overtuiging, een redekunstenaar van het penseel was, dan was hij dat als christen.

 

p.32: Een meer verinnerlijkte vorm van caravaggistische invloed op Rembrandt blijkt misschien uit zijn blijvende fascinatie met intens persoonlijk contact tussen God en de mens. Of dit historisch wel helemaal juist is moet in het midden blijven, maar van Rembrandt werd verteld dat hij hierover dezelfde gevoelens had als Caravaggio: ‘dasz man sich einig und allein an die Natur und keine andere Regeln binden solle.’&nbps; Die woorden werden voor het eerst opgetekend door de schrijver-schilder Joachim von Sandrart, die Rembrandt kende in de periode dat hij De Nachtwacht  schilderde.

p.60: De oude, ingeweven systematiek van de christelijke iconografie, waarin het bovennatuurlijke regeert, blijft in Rembrandts werk aanwezig.

p.?: Rembrandt leefde op een breuklijn tussen het hier en nu, en een gebied, waar het bovennatuurlijke werkelijkheid is.

p.373: Op veel zelfportretten brengt hij een bijna symbiotische relatie tot stand met andere personen en brengt hij andere waarden in het spel dan alleen emotie. Of aan het toneel of aan de retorica ontleende overtuigingsmethodes. Er zitten elementen in – meer dan alleen elementen – van binding, verstrengeling en empathie.

S. Perlove, L. Silver, Rembrandt’s Faith, Church and Temple in the Dutch Golden Age,  Pennsylvania 2009

p.?: Rembrandt viewed the Temple as a physical, spiritual and even mystical entity, foreshadowing the ideal church of God.

Karel Appel, Van de schoonheid en de troost,  serie TV-interviews met Wim Kayzer, aflevering 8, 20 februari 2000

Het ging hem om het licht, (…) dat onderscheidt Rembrandt van de rest van de schilders. (…) Hij schilderde het licht, het is geen verf meer, het is opgelost in het licht. Dat noem ik de ontmoeting met God, bijvoorbeeld.

 

Karl Ove Knausgard, Vader,  Breda 2011

Er is een schilderij dat ik elke keer als ik in Londen ben, ga bekijken en dat me elke keer weer even sterk ontroert. Het is een zelfportret van de oude Rembrandt. De schilderijen van de oude Rembrandt worden normaal gesproken gekenmerkt door een ongehoorde grofheid waarin alles ondergeschikt is aan de uitdrukking van dat ene moment, bijna stralend en heilig, nog steeds onovertroffen in de kunst – mogelijk met uitzondering van wat Hölderlin in zijn late gedichten bereikt, hoe onvergelijkbaar beiden ook zijn, want waar het licht van Hölderlin, opgeroepen in de taal, etherisch en hemels is, is dat van Rembrandt, opgewerkt in de kleur, dat van de aarde, van metaal, van stof – maar juist dit schilderij (…) is net iets meer klassiek en waarheidsgetrouw, heeft meer van de expressie van de jonge Rembrandt. Wat het schilderij voorstelt is echter de oude. De ouderdom. Alle details in het gezicht zijn zichtbaar, alle sporen die het leven erin heeft achtergelaten, kunnen worden gevolgd. Het gezicht is gegroefd, gerimpeld, pafferig, verweerd door de tijd.  Maar de ogen zijn helder en hoewel ze niet jong zijn, staan ze als het ware los van de tijd die het gezicht verder kenmerkt. Het is alsof er iemand anders naar ons kijkt, ergens van achter het gezicht, waar alles anders is. Nader tot een andere menselijke ziel kun je nauwelijks komen. Want alles wat met Rembrandts persoon te maken heeft, zijn gewoontes en onhebbelijkheden, zijn lichaamsgeuren en-geluiden, zijn stem en zijn woordkeus, zijn gedachten en meningen, zijn manier van bewegen, de lasten en gebreken van zijn lichaam, alles at een persoon voor anderen uitmaakt, is weggevallen. Het schilderij is meer dan driehonderd jaar oud en Rembrandt stierf in het jaar waarin het werd geschilderd, dus wat hier is afgebeeld, wat Rembrandt heeft geschilderd, is het wezen van deze mens, (…).

 

“Rembrandt will take the flesh tints on an ageing face and show how each one captures something of the life within, so that the formal harmony of the colours conveys the completeness and unity of the person. In Rembrandt we see integrated character in a disintegrating body”