De hoge vensters van Vilhelm Hammershøi

Naar het museum ga ik altijd in de stille hoop dat het bezoek een ervaring oplevert met een blijvende waarde. Een ontmoeting met een kunstwerk dus die verrijkt en bij blijft. Zo ook afgelopen zondag. In het gezelschap van mijn jongste dochter ging ik naar Museum Boijmans, voor de tentoonstelling over Fra Bartolommeo (1472-1517). Die viel een beetje tegen. Net als de kunstenaar zelf waren we van mening dat zijn werk enigszins flets afsteekt tegen dat van zijn tijdgenoten Rafael en Michelangelo.
Wij hadden na het bezoek aan deze tentoonstelling nog tijd over en dwaalden wat door het museum, tot we bij een kleine ruimte kwamen waar enkele werken werden getoond van een drietal Deense kunstenaars. Het leek een vergeten hoek: gedurende de tijd die wij er doorbrachten zagen we hooguit twee andere bezoekers.
Mijn aandacht ging uit naar een vrij klein schilderij van Vilhelm Hammershøi (1864-1916), De hoge vensters uit 1913. Ik zag een ruime en hoge kamer met een klassiek interieur en keek frontaal op een muur met twee vensters. Bij het geopende rechtervenster stond een slanke en rijzige vrouw, een brunette met opgestoken haar, gekleed in een sobere jurk, donkerblauw van tint. Licht uit het raam gebogen keek ze naar buiten, ik zag haar op de rug. Deze gestalte had iets peroonlijks-bovenpersoonlijks.
Het licht was van een ongekende helderheid, witter dan normaal en herkenbaar als noordelijk licht voor wie in Scandinavië is geweest. De nagenoeg witte verf was met een zichtbare streek aangebracht. De kleur was zo zuiver als het wit van Vermeer. De kamer was weergegeven in verschillende tinten grijsgroen met een teruggehouden intensiteit die het beeld iets maagdelijks verschafte. Alsof de kleuren in een stadium van vlak voor hun volledige verschijning verkeerden.
Bij goede kunst doet de symboliek zich voor als eventualiteit. Ze laat je vrij om bepaalde betekenissen te ontdekken. Je krijgt zo de gelegenheid om erin te verwijlen, ervan te proeven, de sfeer en gevoelsintensiteit te ondergaan om, daarmee doordrenkt, iets van de betekenis te kunnen vermoeden. Ik hield de invulling met betekenis terug. In plaats van te duiden liet ik me bekoren en boeien door de wijze waarop de schilder het reliëfbehang waarmee de wanden waren bekleed had vormgegeven. Trefzeker had hij met uiterst fijne lijntjes het patroon aangebracht. Het behang had hij op deze manier veel verder uitgewerkt dan de vensters en de marmeren vloer. Toen ik het handwerk van de schilder bewonderde was het alsof ik iemand mocht leren kennen. Iemand met wie ik intiem mocht zijn nadat vertrouwen was gegroeid. Alsof de vrouw onder haar sobere jurk iets droeg dat met gouddraad was bestikt en dat iets mocht ik zien.
Tijdens mijn ochtendwandeling vanmorgen had het schilderij een verandering ondergaan. Het was avond in de kamer. In mijn verbeelding werd het reliëfbehang in een gouden gloed gezet door licht van kaarsen uit de hoek rechts. De vrouw was gaan zitten, nu kon ik het profiel van haar gezicht vaag onderscheiden. Zij was aan het lezen of misschien was ze verdiept in een handwerk.
Ik weet nog niet wat dit kan beduiden. Wel weet ik dat mijn hoop op een kunstervaring met blijvende waarde bij dit museumbezoek in vervulling is gegaan.
De hoge vensters maakt deel uit van de collectie van het Ordrupgaard Museum in Kopenhagen.
Arno Kaat
