De mensheid verkeert in een diepe crisis.  Tot die conclusie komt de kunsthistoricus H. Sedlmayr (1896-1984) in zijn boek Verlust der Mitte uit 1946. Hij  onderzoekt daarin de beeldende kunst van de 19e en 20e eeuw.  Sedlmayr constateert onder andere mineralisering, demonie, fragmentarisatie, angst, verlatenheid, chaos. Een in beeld gebrachte ‘Val van de mens’.

Deze neergang valt samen met de opkomst en de overwinning van het materialistische mens- en wereldbeeld. De verbinding met hogere is zoek, verloren, vergeten.  In dit opzicht is de moderne tijd zonder precedent. De kunsthistoricus staat niet alleen in  zijn overtuiging.   Onder anderen de filosoof-antroposoof R. Steiner (1861-1925) en de psycholoog C.G. Jung (1875-1961) hebben ieder vanuit hun eigen achtergrond gewezen op de catastrofale gevolgen die een ontkenning van metafysische werkelijkheid teweegbrengt. De catastrofes van de 20e eeuw bevestigen hun gelijk.

Genoemde wetenschappers zijn echter geen pessimisten. Hier en daar zien zij tekenen van wederopstanding. Sedlmayr noemt in dit verband onder anderen de schilder Vincent van Gogh (1853-1890) en de dichter Christian Morgenstern (1871-1914).  Ik ging op zoek naar andere, niet door Sedlmayr genoemde kunstenaars van de moderne tijd bij wie een nieuw licht doorbreekt.  Bij die zoektocht stuitte ik op een schilderij van de Noorse schilder Harald Sohlberg (1869-1935) uit 1904.. Ik zag het in werkelijkheid, op een reproductie maar vooral tijdens meditaties. Naar aanleiding  van deze herhaalde waarnemingen schreef ik onderstaande bespreking.

Nacht (kerk van Røros)

Daar waar ik nu ben zie ik  vlak voor mij een woud van metalen kruisen. Ze staan schots en scheef en zijn verschillend van grootte. Sommigen zijn versierd met ijzerbeslag aan de uiteinden. Aan mijn voeten is een vers gedolven graf. Het ligt vol met rose en purperen bloemen. Tussen de kruisen liggen grafstenen rommelig verspreid.  Het kerkhof gaat heuvelafwaarts, onderaan de heuvel is de kerk. Ik kijk van boven schuin op het dak van het kerkgebouw en verder naar achteren zie ik de torenspits naar de hemel wijzen. Hij steekt wit af tegen het zwarte dak van het schip. Links van de kerk is een hoge schoorsteen. In het schemerlicht lijken torenspits en schoorsteen doorschijnend.

In de achtermuur van de kerk zijn twee ramen onder elkaar.  De bovenste is onder het dak. In deze dakkamer brandt licht. Kaarslicht. Het glinstert in de segmenten van het glas in lood. Dit raam bevindt zich recht tegenover mij, op dezelfde hoogte als de heuveltop waar ik ben. Om de kerk heen zijn tientallen huizen met schuine daken. Het is laagbouw, alles is gelijkvloers. In die huizen branden geen kaarsen, iedereen slaapt. Het stadje is gehuld in dezelfde blauw-turqoise  tint als de transparente, wolkenloze hemel erboven, alsof er daarvan iets neergedaald is  over de slapenden. Op de achtergrond is een heuvelrug. Links daarboven staat een laag hangende volle maan, bijna onzichtbaar. Intense rust gaat uit van dit tafereel: alles is verzonken in een diepe slaap. Het is nacht. Het licht in deze nacht is niet van de maan maar van de zon. Het stadje is ergens in Noorwegen, waar de zon ’s zomers niet onder gaat.  

Het hervonden midden

Dit symbolistische schilderij is rijk aan betekenis, diverse motieven komen erin tot uitdrukking. Allereerst ziet de beschouwer zichgeconfronteerd met de dood: het kerkhofmet het vers gegraven graf. Vervolgens wordt zijn blik omhoog geleid, naar de kerk met zijn naar de hemel wijzende  torenspits.  Het door kaarslicht verlichte raam bevindt zich precies op het kruispunt van de lengte- en de breedteas van het beeldvlak. Het is de enige passage waar hij warme kleuren ziet, de hele omgeving is koel. Het kaarslicht is onopvallend, klein en bescheiden, hij ziet het pas bij nadere beschouwing.

Als een mens zich in de meditatie door middel van wilsinpanning verheft uit  het aan de zintuigen gebonden rationele bewustzijn kan hij dat ervaren als een opstanding  uit het dode gebied van de materie. Zoals het kerkgebouw oprijst uit het lager gelegen gebied en met zijn torenspits naar de hemel wijst, zo verheft een meditant zich uit zijn puur materiële bestaan. In de normale waaktoestand is hij met zijn verstandelijk denken daaraan gebonden. Het kerkhof kan een verbeelding zijn van die gebondenheid. Kerkgebouw en torenspits van het zich verheffen.

Het ontsteken van vuur is zoals bekend een oersymbolische daad, een emotioneel geladen ritueel. Zo universeel bekend ook dat de betekenis ervan geen uitleg behoeft. Hier heeft iemand een kaars ontstoken in een kerkgebouw. Het kan dus een religieuze handeling zijn, zoals een meditatie of een gebed dat ook is. De kaarsvlam kan een verbeelding zijn van de innerlijke actie die de meditant voltrekt: een bewust gewilde toenadering tot de geest.

Behalve het motief van dood en opstanding  valt het motief van waken en slapen in het oog. Hier waakt iemand waar iedereen slaapt: het is degene die dit nachtelijke tafereel aanschouwt. Dit waken kun je als een verbeelding zien van de bewustzijnstoestand waarin een meditant verkeert. Want het betreft het volkomen wakker beleven van een beeld dat zich in de normale toestand in het onderbewuste geheugengebied bevindt.

Bij de motieven van dood en opstanding, waken en slapen voegt zich nog een derde : het motief van de dag in de nacht. We komen dit onder andere tegen bij een Kerstverhaal van Selma Lagerlöf. Daar verschijnt in de Kerstnacht de Heilige Familie in een wonderschoon daglicht. Ook hier kunnen we een verwijzing zien  naar meditatie: de meditant verlicht en verheldert met wakker bewustzijn een gebied dat normaal gesproken in duisternis is gehuld.

Voor mij is het schilderij Nacht een werk waarin het midden is hervonden. Onopvallend en bescheiden ontstaat het, op het moment dat een mens warmte en licht verspreidt met een door hem ontstoken vlam.

(De afbeelding boven deze blog is niet het besproken schilderij. Daarvan kon ik geen reproductie van enige kwaliteit vinden. Het afgebeelde schilderij heeft als titel: Midzomernacht. Gedateerd 1910.)